Mijn cité

Historische wandeling

Inleiding

Sinds de 18de eeuw kampte België met een serieuze houtschaarste, waardoor men op zoek ging naar een alternatieve brandstof. Dankzij verkenningsboringen ontdekte men steenkool in de Limburgse ondergrond in het begin van de 20ste eeuw. Dit resulteerde in de verlening van uitbatingsvergunningen voor steenkoolontginning. Bovendien markeerden die gebeurtenissen het begin van een grote transformatie: de Midden-Limburgse rurale economie van huisarbeid en keuterlandbouw maakte plaats voor industrialisatie.

Toen aanvankelijk de Limburgse mijnindustrie vorm kreeg, rees meteen de vraag: waar en hoe moeten duizenden nieuwe arbeiders gehuisvest worden? Het Hasseltse beschermingscomité schatte het woningtekort op maar liefst 32 000 woningen. Een enquête en een studie van buitenlandse fabrieksnederzettingen leidden in 1905 tot aanbevelingen: brede straten, ruime gezinswoningen en een rationele aanleg van riolering. Provinciaal architect Leon Jaminé ontwierp zelfs een plan voor de toekomstige mijncités, maar de invloed bleef beperkt. De mijnmaatschappijen namen het voortouw en bouwden zelf woningen om arbeiders te werven en te binden. In 1913 volgde een provinciaal modelreglement, maar snelheid primeerde. Het ambitieuze plan voor Zolder uit datzelfde jaar voorzag een duizendtal woningen en vele gemeenschapsvoorzieningen. Het tuinwijkideaal werd echter nooit volledig gerealiseerd, maar in ieder geval groeiden de cités uit tot groene wijken met gevarieerde woningtypes en voorzieningen.

© Collectie provincie Limburg
© Collectie provincie Limburg

Lees eventueel later verder.